Samenvatting van informatiemodel.

Inleiding

Deze documenten hangen samen zoals hieronder afgebeeld.

TODO afbeelding opnemen

Samenhang tussen documentatie

Naast deze documenten is er een document dat het systeem van de basisregistratie ondergrond als geheel beschrijft met als titel BRO-architectuur. In dat document wordt het ontwerp en de algemene werking van de basisregistratie ondergrond beschreven. Het document BRO-architectuur is alleen nog in een eerste en prille versie beschikbaar.

Leeswijzer

De volgende hoofdstukken van dit document geven achtereenvolgens een algemene inleiding in kenmerken en begrippen uit de basisregistratie ondergrond, een inleiding in het grondwaterdomein en specifiek in het grondwatersamenstellingsonderzoek, een uitleg over de catalogus en tenslotte de catalogus zelf met daarin definities van objecten, attributen en codelijsten.

In de tekst van hoofdstuk 3 zijn termen cursief weergegeven als het termen zijn die in de gegevensdefinitie zijn gedefinieerd

Grondwatersamenstellingsonderzoek

Grondwatermonitoring

Grondwater is een belangrijke bestaansbron. Het grondwater wordt daarom in Nederland in de gaten gehouden en beheerd. Het beheer van het grondwater richt zich op de hoeveelheid bruikbaar grondwater en de kwaliteit ervan. Om dit beheer goed te kunnen uitvoeren, wordt in Nederland de toestand van het grondwater over langere tijd gevolgd. Dat heet grondwatermonitoring. Er wordt daarbij gekeken naar de grondwaterstand (kwantiteit), en naar de samenstelling van het grondwater (kwaliteit). Hiervoor worden grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken uitgevoerd.

In het domein grondwatermonitoring van de basisregistratie ondergrond staan de grondwatermonitoringnetten centraal die zijn ingesteld om het grondwater in Nederland te kunnen beheren. Het doel waarvoor een monitoringnet is ingesteld, het monitoringdoel, beperkt zich in veel gevallen tot kwantiteit of kwaliteit, maar het komt ook voor dat onderzoek aan zowel de kwantiteit als de kwaliteit wordt gedaan binnen hetzelfde grondwatermonitoringnet.

Grondwatermonitoring houdt in dat de toestand van het grondwater in een bepaald gebied, of eigenlijk in een bepaald deel van de ondergrond, over langere tijd gevolgd wordt. De uitgestrektheid van het gebied en de diepte van monitoring verschillen per grondwatermonitoringnet. Ook de duur van monitoring wisselt sterk.

In het Besluit basisregistratie ondergrond is omschreven welke vormen van monitoring onder deze basisregistratie vallen. Het belangrijkste criterium is het type organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het grondwater: de grondwatermonitoring moet door of in opdracht van een bestuursorgaan, de bronhouder, worden uitgevoerd. Verder is er een beperking aan de tijdschaal gesteld. Wanneer een monitoringnet is ingesteld om de toestand van het grondwater over een periode van ten minste één jaar te volgen, dan valt het altijd onder de basisregistratie ondergrond. Voor monitoringnetten met een kortere duur maakt het bestuursorgaan zelf de afweging of de gegevens in de basisregistratie moeten worden opgenomen. De periode van een jaar is lang genoeg voor het uitfilteren van de effecten van kleinschalige en kortdurende invloeden, zodat de informatie die in de basisregistratie wordt vastgelegd blijvende gebruikswaarde heeft. Aan de ruimtelijke schaal van monitoring zijn voor de basisregistratie ondergrond geen grenzen gesteld.

In de Regels omtrent de basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond staat dat de basisregistratie ondergrond vooralsnog geen milieukwaliteitinformatie bevat. Voor het grondwatermonitoringdomein zijn monitoringnetten rondom milieuhygiënische projecten, waarin het met name gaat om het monitoren van de verontreiniging van de bodem en het grondwater, daarmee voorlopig buiten scope geplaatst. Op 18 december 2018 is in de Tweede Kamer een motie (Kamerstuk 34864-19) aangenomen waarin de regering wordt verzocht ‘om informatie over bodemverontreiniging in de basisregistratie ondergrond op te nemen’. Op het moment van publiceren van deze catalogus is nog niet bekend wat de gevolgen van deze motie zullen zijn voor de scope van het registratieobject Grondwatersamenstellingsonderzoek.

De bestuursorganen die langdurig het grondwater (laten) monitoren op grondwaterkwaliteit, omdat zij daarin een wettelijke taak hebben zijn RIVM, Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen, gemeentes en bestuurlijke samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn er private organisaties die vanuit vergunningsplicht het grondwater langdurig monitoren op grondwaterkwaliteit, in opdracht van bevoegd gezag en/of voor eigen doelen. Dit zijn drinkwaterbedrijven, grondwateronttrekkende industrie, (ondiepe)bodemenergie-exploitanten (bedrijven, ziekenhuizen, overige instellingen) en natuurterreinbeheerorganisaties. Deze organisaties doen periodiek grondwatersamenstellingsonderzoek en hebben daarvoor grondwatermonitoringnetten.

Domein grondwatermonitoring in de basisregistratie ondergrond

Het domein grondwatermonitoring in de basisregistratie ondergrond omvat de volgende vier registratieobjecten:

In de voorliggende catalogus gaat het over het registratieobject Grondwatersamenstellingsonderzoek.

In de technische landelijke voorziening van de basisregistratie ondergrond worden Engelstalige benamingen gehanteerd voor de registratieobjecten. Omwille van de aansluiting hiermee worden voor de registratieobjecten Engelstalige afkortingen gebruikt. In deze catalogus worden alleen Engelstalige afkortingen en de Nederlandstalige termen gebruiken.

Grondwaterdomein
De samenhang tussen de vier registratieobjecten binnen het domein grondwatermonitoring.

Een grondwatermonitoringput betreft de putconstructie die gebruikt wordt om standen en/of de samenstelling van het grondwater te meten. Gewoonlijk bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf. Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Elke buis heeft één filter. Een filter fungeert als meetpunt in de basisregistratie ondergrond.

Informatie over grondwatermonitoringput is beschreven in de Catalogus Grondwatermonitoringput. Naast putten kunnen ook bronnen gebruikt worden in grondwaterkwaliteitsmonitoring. Een bron is een locatie waar het grondwater spontaan uittreedt aan het maaiveld. Op dit moment voorziet de basisregistratie het registreren van bronnen niet. Voorzien wordt dat de gegevensdefinitie van de grondwatermonitoringput aangepast wordt, zodat het mogelijk wordt om bronnen te registreren.

Binnen het grondwaterdomein in de basisregistratie ondergrond kent alleen de grondwatermonitoringput een fysieke locatie. De drie andere registratieobjecten zijn aan het registratieobject grondwatermonitoringsput gekoppeld en hebben daarmee indirect een locatie. Bij grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken ligt de verwijzing vast naar het filter in de grondwatermonitoringput waarin het onderzoek is uitgevoerd. Daarnaast ligt bij grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken de verwijzing vast naar één of meerdere grondwatermonitoringnetten ten behoeve waarvan het onderzoek is uitgevoerd.

Een grondwatermonitoringnet is een verzameling locaties waar periodiek onderzoek aan het grondwater op een bepaalde diepte wordt gedaan om de toestand van het grondwater vanuit een perspectief te kunnen bepalen en de eventuele veranderingen erin te kunnen volgen. Het grondwatermonitoringnet faciliteert daardoor de groepering van onderzoeksgegevens door bronhouder op basis van het doel van monitoring. Het registratieobject vergroot daarmee de hergebruikswaarde voor afnemers van de gegevens van de basisregistratie ondergrond.

Een grondwatermonitoringnet valt onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder en heeft een vastgesteld monitoringdoel. In de praktijk komt het voor dat een grondwatersamenstellingsonderzoek ten behoeve van meer dan één doel wordt uitgevoerd. Een bronhouder kan bijvoorbeeld omwille van de efficiëntie besluiten om één grondwatersamenstellingsonderzoek te laten doen, en de resultaten ervan zowel voor de Kaderrichtlijn Waterverplichtingen als voor een eigen provinciaal monitoringdoel te gebruiken. Omdat er voor afzonderlijke monitoringdoelen verschillende grondwatermonitoringnetten zijn, betekent dit voor de basisregistratie ondergrond dat een grondwatersamenstellingsonderzoek kan toebehoren aan één of meerdere grondwatermonitoringnetten.

Een grondwatersamenstellingsonderzoek kan ook worden uitgevoerd ten behoeve van meerdere doelen van verschillende bestuursorganen. In dat geval is één van deze bestuursorganen de bronhouder van het grondwatersamenstellingsonderzoek. Deze bronhouder levert het grondwatersamenstellingsonderzoek aan de basisregistratie ondergrond aan, inclusief de koppeling aan alle grondwatermonitoringnetten waarvoor het onderzoek is uitgevoerd. De bronhouder is daarmee dus ook verantwoordelijk voor de koppeling van het grondwatersamenstellingsonderzoek aan een grondwatermonitoringnet van een ander bestuursorgaan.

Voor het registratieobject Grondwaterstandonderzoek is de gegevensstandaard nog niet opgesteld.

Het grondwatersamenstellingsonderzoek

Inleiding

Een grondwatersamenstellingsonderzoek is een monitoringsactiviteit gericht op het onderzoeken van de samenstelling van een grondwatermonster uit een bepaald meetpunt in de ondergrond. In plaats van samenstelling van het grondwater wordt ook wel gesproken over kwaliteit van het grondwater. In deze catalogus doelen we met beide op hetzelfde. Een meetpunt wordt gevormd door een filter van een monitoringbuis in een grondwatermonitoringput (zie 3.2). Een grondwatersamenstellingsonderzoek wordt uitgevoerd op basis van een opdracht door een bronhouder en wordt gedaan in het kader van een of meerdere monitoringsdoelen.

Een grondwatersamenstellingsonderzoek wordt uitgevoerd in meerdere delen. Het eerste deel van het onderzoek wordt in het veld verricht. Het tweede deel vindt plaats in één of meerdere laboratoria. De resultaten van de verschillende delen van het onderzoek worden samen geregistreerd in de basisregistratie ondergrond.

In tegenstelling tot de relatief snel variërende stand van het grondwater (grondwaterstanden veranderen binnen een dag), verandert de samenstelling van het grondwater relatief langzaam. Dit komt doordat grondwater zich langzaam verplaatst door de ondergrond. Grondwatersamenstellingsonderzoeken worden daarom doorgaans maar één keer of hooguit een paar keer per jaar uitgevoerd op een locatie. In de meetpunten in het landelijke monitoringnet en in de meetpunten in de provinciale monitoringnetten wordt er bijvoorbeeld jaarlijks één grondwatersamenstellingsonderzoek uitgevoerd. Als er lokaal reden is om de grondwaterkwaliteit beter in de gaten te houden, omdat daar bijvoorbeeld drinkwater onttrokken wordt of er activiteiten plaatsvinden die invloed kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit, kan er besloten worden om de periodiciteit te verhogen.

Het proces

Een grondwatersamenstellingsonderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van verschillende protocollen. Zowel bij het veldonderzoekdeel als bij het laboratoriumdeel als bij de beoordeling wordt gewerkt volgens vastgestelde voorschriften, normen en richtlijnen.

Het verloop van het proces is schematisch weergegeven in de onderstaande figuur en daaronder beschreven. De figuur geeft het volledige proces, van vaststellen van de doelstelling tot en met registratie in de basisregistratie ondergrond. In deze catalogus beschrijven we alleen de onderdelen veldonderzoek, labonderzoek en controleren en beoordelen.

grondwater processchema
Het proces van de monitoring van grondwaterkwaliteit: het grondwatersamenstellingsonderzoek.
  1. Veldonderzoek is het proces dat loopt vanaf het oppompen van grondwater tot de aanlevering van de laboratoriummonsters aan het laboratorium. Tijdens het veldonderzoek wordt door gespecialiseerde medewerker, bij een grondwatermonitoringput of een natuurlijke bron water afgenomen door het op te pompen (bij een filter in een put) respectievelijk op te vangen (bij een natuurlijke bron).
    • Op het afgenomen water worden ter plekke veldanalyses gedaan. Hierbij wordt een klein aantal parameters, ofwel eigenschappen van het grondwatermonster, meteen gemeten. Dit zijn gegevens die op zichzelf al gebruikswaarde hebben en die tevens ondersteunend zijn voor de verdere laboratoriumanalyse en het beoordelen van de resultaten van het grondwatersamenstellingsonderzoek als geheel.
    • Vervolgens worden een of meerdere laboratoriummonsters genomen van het grondwater voor het doen van verdere analyses in het laboratorium. In de praktijk worden er vaak meer en verschillende soorten flessen met grondwater gevuld omdat in het laboratorium verschillende analyses zullen worden uitgevoerd die vragen om specifieke behandeling van het monster. Het water moet bijvoorbeeld al dan niet eerst gefilterd worden, de fles moet van glas dan wel kunststof zijn, de fles moet wel of niet volledig gevuld zijn en er moet wel of geen bepaalde conserveringsstof in zitten.
  2. Het laboratoriumonderzoek is het proces dat start bij de overdracht van de laboratoriummonsters door de uitvoerder van het veldonderzoek aan het laboratorium of aan meerdere laboratoria. Met behulp van verschillende analyseprocessen wordt de waarde bepaald van de verschillende parameters. Het proces eindigt bij de rapportage van de onderzoeksresultaten aan de bronhouder.
  3. De veld- en laboratoriumanalyseresultaten worden, na ontvangst door de bronhouder, door de bronhouder en/of een adviesbureau gecontroleerd en beoordeeld. De beoordeling leidt tot een kwaliteitsstatus per parameter. Deze kwaliteitsstatus geeft aan wat het eindoordeel van de bronhouder is over de kwaliteit van de gemeten waarde van de parameter. Het protocol dat gebruikt wordt bij het beoordelen bevat richtlijnen voor zowel het uitvoeren van de controles als een onderbouwing van de mogelijke uitkomsten van de kwaliteitsstatus.

Belangrijkste entiteiten

In deze paragraaf wordt een beschrijvende toelichting geven op de gegevensinhoud. De expliciete definities zijn te vinden in de tabellen van de gegevensdefinitie. Als eerst wordt de hoofdentiteit beschreven, daarna de entiteiten van het veldonderzoek en de entiteiten van het laboratoriumonderzoek. Het resultaat van de beoordeling, de kwaliteitsstatus van de gegevens, is onderdeel van zowel het veldonderzoek als het laboratoriumonderzoek.

Grondwatersamenstellingsonderzoek

Informatie uit de periodieke grondwatersamenstellingsonderzoeken wordt in de basisregistratie ondergrond geregistreerd als het registratieobject Grondwatersamenstellingsonderzoek. Dit registratieobject omvat de, van een beoordelingsresultaat voorziene, definitieve meetwaarden van een op grondwaterkwaliteit gericht onderzoek dat aan een grondwatermonster uit een bepaald meetpunt is verricht. Daarbij is een uitgangspunt dat een grondwatersamenstellingsonderzoek één bronhouder heeft, maar wel uitgevoerd kan zijn ten behoeve van meerdere grondwatermonitoringnetten die van verschillende bronhouders kunnen zijn. Daarnaast is een uitgangspunt dat alle gegevens van het grondwatersamenstellingsonderzoek tegelijk worden aangeleverd aan de basisregistratie ondergrond. De resultaten van het veldonderzoekdeel en het laboratoriumonderzoekdeel binnen één grondwatersamenstellingsonderzoek worden dus samen aangeleverd.

Een grondwatersamenstellingsonderzoek kan ten behoeve van meer dan één monitoringdoel uitgevoerd worden. Dit betekent dat een onderzoek in het kader van meerdere grondwatermonitoringnetten tegelijk uitgevoerd kan zijn. In het registratieobject Grondwatermonitoringnet worden het doel van de monitoring (monitoringdoel) geregistreerd en het wettelijk kader waar dit doel uit volgt (kader aanlevering). In het registratieobject grondwatersamenstellingsonderzoek wordt het monitoringdoel en het wettelijk kader waar dit doel uit volgt niet geregistreerd. Met de verwijzing van het grondwatersamenstellingsonderzoek naar één of meer grondwatermonitoringnetten (zie 3.2) is het doel en het wettelijk kader van het grondwatersamenstellingsonderzoek indirect geregistreerd.

Bij een grondwatersamenstellingsonderzoek ligt de verwijzing vast naar de grondwatermonitoringbuis waarin het onderzoek is uitgevoerd (zie 3.2). De diepte waarop de grondwatermonsters worden genomen, is van invloed op de waarde van onderzochte parameters. Deze diepte wordt bepaald door de diepte van het filter in de monitoringbuis en is geregistreerd via de verwijzing naar de monitoringbuis.

De veld- en laboratoriumanalyseresultaten van een grondwatersamenstellingsonderzoek worden door de bronhouder en/of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder gecontroleerd en beoordeeld. Bij het beoordelen van gegevens wordt gekeken naar de resultaten van het grondwatersamenstellingsonderzoek als geheel. Bijvoorbeeld wordt de consistentie beoordeeld tussen de chemische veld- en laboratoriumresultaten met behulp van verschilende chemische relaties. Daarnaast worden meetresultaten beoordeeld binnen de tijdreeks van het betreffende filter in de monitoringbuis waar is bemonsterd. De beoordeling vindt plaats aan de hand van een beoordelingsprocedure. Dit is een protocol of werkvoorschrift dat is toegepast bij het beoordelen van de kwaliteit van de meetwaarden die in het veld en/of in het laboratorium gemeten zijn. De procedure beschrijft hoe de beoordeling wordt gedaan en op welke manier de beoordeling leidt tot het eindoordeel over de betrouwbaarheid van een individuele meting.

Elk grondwatersamenstellingsonderzoek wordt uitgevoerd volgens afspraak tussen opdrachtgever (de bronhouder die in de basisregistratie ondergrond voor elk registratieobject wordt geregistreerd) en opdrachtnemer(s). Bij elk grondwatersamenstellingsonderzoek wordt een hoeveelheid parameters, ofwel eigenschappen van het grondwatermonster, gemeten. Het resultaat van deze metingen wordt geregistreerd in de basisregistratie ondergrond, ongeacht om welke parameters het gaat of tot welke groep deze parameters behoren. Parametergroepen zijn bijvoorbeeld: metalen, nutriënten, sporenelementen en industriële stoffen. Twee parametergroepen krijgen speciale aandacht: bestrijdingsmiddelen en farmaceutische stoffen. Als deze zijn onderzocht, wordt er hiervan een indicatie geregistreerd; de indicatie bestrijdingsmiddelen onderzocht en de indicatie farmaceutische stoffen onderzocht. Deze indicaties zijn opgenomen in de gegevensinhoud omdat ze een karakterisering van de inhoud van het onderzoek geven en een hoge hergebruikswaarde hebben bij uitgifte: ze helpen gebruikers bij het vinden van onderzoeken waarin naar deze parametergroepen gekeken is. Van alle overige onderzochte parametergroepen wordt de indicatie of er op onderzocht is niet geregistreerd, omdat de overige parametergroepen veelal niet eenduidig zijn en niet uniform toegepast worden. De resultaten van de onderzoeken naar deze parameters worden wél in de basisregistratie ondergrond geregistreerd.

Identificatie van parameters

Zowel in het veldonderzoek als in het labonderzoek worden parameters van het grondwater bepaald. Elke parameter wordt geïdentificeerd door de Aquocode van de parameter. De Aquocode maakt onderdeel uit van de Aquo-standaard. Dit is een open standaard en uniforme taal voor de uitwisseling van gegevens binnen de watersector. De Aquocodes zijn binnen de basisregistratie ondergrond beschikbaar in de Parameterlijst (zie voor de definities van deze lijst en 6.15 voor de inhoud van de lijst).

In de Parameterlijst is voor elke parameter naast de Aquocode ook vastgelegd: het CASnummer (indien van toepassing), een omschrijving, de eenheid en de hoedanigheid waarin de parameter wordt geregistreerd. Bij hoedanigheid wordt bijvoorbeeld aangegeven dat het gaat om de opgeloste fractie, na filtratie. Het CASnummer is een internationaal gebruikte, unieke, numerieke code voor chemische elementen, componenten en polymeren. Er zijn alleen CASnummers voor chemische verbindingen, niet voor parameters die de toestand van het grondwater beschrijven zoals zuurgraad, troebelheid, elektrisch geleidingsvermogen of temperatuur. Ook zijn er geen CASnummers voor som-parameters zoals stikstof totaal of de som van trichloorfenol-isomeren. Omdat hier wel Aquocodes voor beschikbaar zijn, wordt de Aquocode gebruik om de parameters te identificeren. De parameterlijst wordt gebruikt bij de registratie van zowel de resultaten van de veldmetingen als de van de resultaten van de laboratoriummetingen.

Veldonderzoek en monstername

Tijdens het veldonderzoek wordt in het veld een aantal metingen uitgevoerd die de toestand van het grondwater en de samenstelling ervan globaal karakteriseren. Tevens worden monsters genomen voor analyse in het laboratorium. De uitvoerder veldonderzoek is de partij die voor de bronhouder verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het veldonderzoek.

Het veldonderzoek gebeurt op een bepaalde datum, de datum veldonderzoek, en volgens een bepaalde bemonsteringsprocedure waarin de eisen en voorgeschreven werkwijze ten aanzien van bemonstering zijn vastgelegd. Ook deze gehanteerde norm plus eventuele, in het veld geconstateerde bijzonderheden, die relevant zijn voor het beoordelen of hergebruiken van de resultaten van het onderzoek, bijzonderheid veldonderzoek, worden in de basisregistratie ondergrond geregistreerd.

Gegevens over het Bemonsteringsapparaat zijn relevant voor de beoordeling van de kwaliteit van het monster. Kenmerken van het bemonsteringsapparaat zijn het pomptype en het slangtype die tijdens de bemonstering worden gebruikt. Eveneens wordt in de basisregistratie ondergrond geregistreerd of de gebruikte slang nieuw is dan wel al eerder is gebruikt (slang hergebruikt).

Tijdens het veldonderzoek wordt een aantal parameters bepaald. Een parameter is een eigenschap van het grondwater. Er zijn twee soorten parameters:

  • Parameters die betrekking hebben op eigenschappen van het monster als geheel, zoals temperatuur, elektrisch geleidingsvermogen en zuurgraad. Ze geven niet direct informatie over de samenstelling van het monster, maar zijn een typering ervan.
  • Parameters die betrekking hebben op het gehalte (de concentratie) van een bepaald element of bepaalde stof in het grondwater. Deze parameters zeggen daadwerkelijk iets over de samenstelling van het monster (‘de delen van het monster die geen water zijn’).

Een aantal van de bepalingen die in het veld worden gedaan, wordt in de basisregistratie ondergrond geregistreerd omdat deze hergebruikswaarde hebben: ze geven een algemene indruk over het bemonsterde grondwater, de meetwaarden worden gebruikt in bepaalde controles, of de bepaling in het veld levert een betrouwbaarder resultaat op dan een bepaling in het laboratorium. Voor het meten van parameters in het veld zijn meerdere redenen:

  • Na de monstername kan de samenstelling van het monster veranderen:
    Het gehalte waterstofcarbonaat wordt bijvoorbeeld in het veld gemeten omdat het waterstofcarbonaatgehalte zeer gevoelig is voor invloeden van buitenaf. Het gehalte kan veranderen door bijvoorbeeld ontgassing, door temperatuurverandering, pH-verandering, onder invloed van zuurstof en door het optreden van microbiële activiteit.
  • Parameters zijn ondersteunend voor verdere analyse:
    Het elektrisch geleidingsvermogen en de zuurgraad worden gebruikt voor controles: als de in het laboratorium gemeten waarde afwijkt van de in het veld gemeten waarde dan kan dit duiden op onregelmatigheden in het veld, aan apparatuur, of tijdens transport, opslag of analyses.
  • Parameters zeggen wat over de omstandigheden van de meting:
    Bijvoorbeeld omdat deze waarden aangeven of het filter lang genoeg is afgepompt om een laboratoriummonster te gaan nemen. Zuurstofgehalte, elektrisch geleidingsvermogen, zuurgraad en temperatuur worden, terwijl het filter wordt afgepompt, herhaaldelijk gemeten. Nadat het filter voldoende is schoon gepompt en deze waarden constant zijn geworden, worden de laboratoriummonsters genomen. De laatst gemeten, constante waarden van het zuurstofgehalte, elektrisch geleidingsvermogen, zuurgraad en temperatuur worden geregistreerd in de basisregistratie ondergrond.

Het resultaat van de bepalingen in het veld wordt geregistreerd bij Resultaat veldmetingen. Zoals in paragraaf 3.4.2 toegelicht wordt elke parameter geïdentificeerd door de Aquocode van deze parameter. De waargenomen of gemeten waarde van een veldwaarneming wordt geregistreerd in de basisregistratie ondergrond. De waarde wordt uitgedrukt in een meeteenheid. De meeteenheid is afhankelijk van de parameter. De aan te leveren meeteenheid is vastgelegd in de Parameterlijst.

De waarde van een waarneming heeft het formaat Meetwaarde. Gewoonlijk wordt bij Meetwaarde het patroon van het getal voorgeschreven: het aantal cijfers voor en achter het decimaal scheidingsteken ligt vast. Samen met de meeteenheid geeft het patroon de nauwkeurigheid van de meetwaarde weer. Bij de waarde van de veldparameters kan er geen vast patroon worden gegeven omdat het waarden van verschillende parameters kan betreffen die elk een ander patroon en eventueel een andere meeteenheid hebben. Dit betekent dat bij de resultaten van de veldmetingen de nauwkeurigheid niet gedefinieerd wordt door de basisregistratie ondergrond. Bij aanlevering aan de basisregistratie ondergrond vindt geen controle plaats op het patroon. De bronhouder heeft de verantwoordelijkheid het getal in de juiste nauwkeurigheid aan te leveren.

Bepalingen in het veld worden aan de hand van opgepompt grondwater, in de doorstroomcel, gedaan of op basis van een in-situ bepaling op filterdiepte. Bij een bepaling op filterdiepte wordt de bepaling direct in het grondwater, onderin de monitoringbuis van de monitoringput gedaan. Een bepaling in de doorstroomcel, in het opgepompt grondwater, kan een andere waarde geven dan een bepaling op filterdiepte. In de basisregistratie ondergrond wordt daarom de plaats veldmeting opgenomen.

Bij elke individuele meting van een parameter in het grondwatersamenstellingsonderzoek geeft de bronhouder (of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder) een eindoordeel over de betrouwbaarheid van de meting. Dit eindoordeel wordt gevormd aan de hand van een, voor het hele grondwatersamenstellingsonderzoek gebruikte beoordelingsprocedure. Het eindoordeel wordt geregistreerd in de status kwaliteitscontrole. Het is een oordeel over de kwaliteit van de meting van de parameter, geen oordeel over het grondwatermonster als geheel.

Laboratoriumonderzoek

Een laboratoriumonderzoek van een grondwatersamenstellingsonderzoek wordt door een of meerdere laboratoria verricht. Alle laboratoria die onderzoeken uitvoeren die binnen de scope van de basisregistratie ondergrond vallen, zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vereist voor de accreditatie is onder andere het volgen van (inter)nationale standaarden (NEN- en/of ISO-normen). Laboratoria werken volgens strikte interne kwaliteitssystemen vastgelegd in handboeken, conform de richtlijnen van de Raad voor Accreditatie. Geaccrediteerde laboratoria zijn daarnaast verplicht om deel te nemen aan ringonderzoeken: onderzoeken waarbij de testresultaten van verschillende laboratoria worden vergeleken. De accreditatie legt op parameter(groep)niveau vast welke bepalingstechnieken en bijbehorende procedures gehanteerd worden door het geaccrediteerde lab. Op de website van de Raad van Accreditatie (www.rva.nl) is per laboratorium informatie te vinden over hun huidige accreditatie.

Het laboratoriumonderzoek omvat de resultaten van het onderzoek van één of meer deelmonsters, waarbij doorgaans veel verschillende parameters worden bepaald. Elk laboratoriumonderzoek wordt onder de verantwoordelijkheid van één laboratorium, de uitvoerder laboratoriumonderzoek, uitgevoerd.

In het laboratorium worden een of meer analyseprocessen uitgevoerd. Een analyseproces bevat de kenmerken van de in het laboratorium uitgevoerde activiteiten ten behoeve van de bepaling van de waarde van parameters in het grondwatermonster. Van het analyseproces worden de analysedatum, de bepalingstechniek, de bepalingsprocedure en bijzonderheid bepalingsprocedure geregistreerd in de Basisregistratie Ondergrond.

De datum waarop een bepalingstechniek wordt uitgevoerd, wordt geregistreerd met de analysedatum. Wanneer de bepalingstechniek zich uitstrekt over meer dagen, wordt de datum geregistreerd waarop de bepalingstechniek klaar is met de bepaling van het gehalte van de parameter.

Een parameter kan vaak met verschillende bepalingstechnieken gemeten worden. De bepalingstechniek is van invloed op de gemeten waarde en de nauwkeurigheid van de gemeten waarde. Met één bepalingstechniek worden meestal meerdere parameters gemeten. Verschillende laboratoria kunnen voor dezelfde bepalingstechniek een verschillende norm of voorschrift hanteren. Daarom wordt het door het laboratorium gebruikte norm of voorschrift geregistreerd, de bepalingsprocedure. Er kunnen in het laboratorium bijzonderheden worden geconstateerd die van invloed zijn op het resultaat van de meting of relevant zijn voor het beoordelen van de metingen of voor hergebruik. Het betreft veelal afwijkingen van de gebruikte bepalingsprocedure. Dit wordt geregistreerd bij bijzonderheid bepalingsprocedure

Het analyseproces leidt tot meetresultaten van een of meer parameters. Deze worden geregistreerd in Resultaat parameters. Middels de aquocode wordt de parameter geïdentificeerd (zie 3.4.2). Hierbij wordt dezelfde Parameterlijst gebruikt als bij Resultaat veldmetingen wordt gebruikt. Het gemeten gehalte van de parameter wordt geregistreerd in het attribuut waarde. De rapportagegrens is de grensconcentratie (ook wel: minimumconcentratie) waarboven het gemeten gehalte van de parameter in een monster altijd wordt gerapporteerd aan de opdrachtgever. Wanneer het gemeten gehalte lager is dan deze rapportagegrens, wordt het gehalte in sommige gevallen gerapporteerd aan de opdrachtgever. De rapportagegrens is voor hergebruik een belangrijk gegeven en wordt altijd geregistreerd. Deze grens is mede afhankelijk van de bepalingstechniek en de eventuele bewerking van het grondwatermonster. Indien het gemeten gehalte lager is dan de rapportagegrens mag dit gegeven ontbreken. De bronhouder mag bij een, door een laboratorium toch gerapporteerd gemeten gehalte dat lager is dan de rapportagegrens, besluiten of hij deze waarde registreert in de basisregistratie ondergrond of niet. Andere soorten grenzen, zoals de aantoonbaarheidsgrens (ook wel detectielimiet: de grens waarboven kan worden vastgesteld of de parameter wel of niet aanwezig is) of de bepaalbaarheidsgrens, die iets zegt over wanneer het gehalte van een parameter betrouwbaar kan worden vastgesteld, worden niet geregistreerd in de basisregistratie ondergrond.

De waarde en de rapportagegrens hebben het formaat Meetwaarde. Gewoonlijk wordt bij Meetwaarde het patroon van het getal voorgeschreven: het aantal cijfers voor en achter het decimaal scheidingsteken ligt vast. Net als bij de waarde van de veldmetingen kan er bij de waarde en de rapportagegrens van de in het laboratorium gemeten parameters geen vast patroon worden gegeven. Net als bij de resultaten van de veldmetingen heeft de bronhouder de verantwoordelijkheid het getal in de juiste nauwkeurigheid aan te leveren. In de door laboratoria gebruikte bepalingsprocedure is vaak vastgelegd hoe er afgerond moet worden.

De aanduiding gehalte indicatief geeft aan of het gerapporteerde gehalte van een parameter een schatting, een indicatie is van de concentratie van de parameter. Het komt voor dat de bepalingstechniek een waarde meet die hoger is dan de rapportagegrens maar dat deze waarde niet conform de norm is bepaald en het gerapporteerde gehalte een schatting is van de concentratie.

De aanduiding voldaan aan identificatiecriteria geeft aan of voor de parameter aan de identificatiecriteria conform de bepalingsprocedure, de norm is voldaan. In de norm staat beschreven hoe de parameter geïdentificeerd moet worden, aan welke criteria moet worden voldaan om te kunnen vaststellen dat het om deze parameter het gaat. Het komt voor dat een gehalte op zich nauwkeurig gerapporteerd kan worden, maar dat niet conform de norm met zekerheid gezegd kan worden dat het om de betreffende parameter gaat. Als dit het geval is, is er wel een indicatie voor de aanwezigheid van de parameter maar wordt geregistreerd dat niet is voldaan de identificatiecriteria.

Net als bij Resultaat veldmetingen, wordt bij Resultaat parameters bij elke individuele meting door de bronhouder (of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder) een eindoordeel over de betrouwbaarheid van de meting aangegeven. Dit eindoordeel wordt gevormd aan de hand van een, voor het hele grondwatersamenstellingsonderzoek gebruikte beoordelingsprocedure. Het eindoordeel wordt geregistreerd in de status kwaliteitscontrole.

INSPIRE

Het doel van de Europese kaderrichtlijn INSPIRE is het harmoniseren en openbaar maken van ruimtelijke gegevens van overheidsorganisaties ten behoeve van het milieubeleid. Het registratieobject Grondwatersamenstellingsonderzoek valt onder het INSPIRE-thema Human health and safety, en om die reden moeten de gegevens in het registratieobject geschikt gemaakt worden voor uitwisseling volgens de INSPIRE-standaard. Dit wordt voor dit registratieobject geïmplementeerd middels een mapping van het gegevensmodel van het registratieobject Grondwatermonitoringnet op het gegevensmodel van het INSPIRE-thema. De inhoud van deze mapping is geen onderdeel van deze catalogus.

Introductie van de gegevensdefinitie

Formaten in de gegevensdefinitie

Een formaat beschrijft welke waarden een attribuut mag hebben. Formaten zijn van een bepaald type. De typen die in de gegevensdefinitie gebruikt zijn, worden hieronder toegelicht.

Bijlage: Toelichting eenheden en hoedanigheden

In onderstaande tabel staat de betekenis van de eenheden zoals ze voorkomen in de parameterlijst.

code omschrijving
Cel graden Celsius
mg/l milligram per liter
ug/l microgram per liter, µg/l
mS/m milliSiemens per meter
NTU Nephelometric Turbidity Unit
% procent, 10-2
10^-3 parts per thousand, promille, 10-3
10^-18 10-18
1 dimensieloos, DIMSLS

In onderstaande tabel staat de betekenis van de hoedanigheden zoals ze voorkomen in de parameterlijst.

code omschrijving
Cnf uitgedrukt in koolstof / opgeloste fractie
CS2 uitgedrukt in koolstofdisulfide
MC ten opzichte van modern carbon (recent organisch materiaal). In combinatie met de eenheid %, wordt dit PMC (percent modern carbon)
nf opgeloste fractie (bijv. na filtratie)
Nnf uitgedrukt in stikstof / opgeloste fractie
NVT niet van toepassing
Pnf uitgedrukt in fosfor / opgeloste fractie
TU uitgedrukt in Tritium units (TU) waarbij 1 TU = 1 3H atoom per 10^18 H atomen
V-PDB ten opzichte van Vienna-Pee Dee Belemnite
V-SMOW ten opzichte van Vienna-Standard Mean Ocean Water
25oC ten opzichte van 25 graden Celsius