Samenvatting van informatiemodel.

Dit is een werkversie van een standaard in ontwikkeling waarvan de inhoud onvolledig is, incorrect kan zijn en op elk moment kan wijzigen. Hoofdstuk vijf is automatisch gegenereerd uit een UML model dat nog in ontwikkeling is.

Inleiding

Deze documenten hangen samen zoals hieronder afgebeeld.

TODO afbeelding opnemen

Samenhang tussen documentatie

Naast deze documenten is er een document dat het systeem van de BRO als geheel beschrijft met als titel BRO-architectuur. In dat document wordt het ontwerp en de algemene werking van de BRO beschreven. Het document BRO-architectuur is alleen nog in een eerste en prille versie beschikbaar.

Leeswijzer

De volgende hoofdstukken van dit document geven respectievelijk een algemene inleiding in kenmerken en begrippen uit de basisregistratie ondergrond, een inleiding in het begrip grondwater, een uitleg over de catalogus en tenslotte de catalogus zelf.

In de tekst zijn termen cursief weergegeven als het termen zijn die in , de gegevensdefinitie, zijn gedefinieerd.

Grondwatersamenstellingsonderzoek

Grondwatermonitoring

Grondwater is een belangrijke bestaansbron. Door het verzamelen van meetgegevens over ons grondwatersysteem kunnen trends worden gesignaleerd en kan getoetst worden aan normen en streefbeelden. Deze informatie is belangrijk voor grondwaterbeheerders en beleidsmakers voor het formuleren en evalueren van het grondwaterbeleid. Meetgegevens worden ook gebruikt voor het maken van rapportages zodat getoetst kan worden of we (inter)nationale afspraken naleven.

Het grondwater wordt daarom in Nederland in de gaten gehouden en beheerd. Het beheer van het grondwater richt zich op de hoeveelheid bruikbaar grondwater en de kwaliteit ervan. Om dit beheer goed te kunnen uitvoeren, wordt in Nederland de toestand van het grondwater over langere tijd gevolgd. Dat heet grondwatermonitoring. Er wordt daarbij gekeken naar de grondwaterstand (kwantiteit), en naar de samenstelling van het grondwater (kwaliteit). Hiervoor worden periodiek grondwaterstandonderzoeken en grondwatersamenstellingsonderzoeken uitgevoerd.

In het domein grondwatermonitoring staan de grondwatermonitoringnetten centraal die zijn ingesteld om het grondwater in Nederland te kunnen beheren. Het doel waarvoor een monitoringnet is ingesteld, het monitoringdoel, beperkt zich in veel gevallen tot kwantiteit of kwaliteit, maar het komt ook voor dat onderzoek aan zowel de kwantiteit als de kwaliteit wordt gedaan binnen hetzelfde grondwatermonitoringnet.

Grondwatermonitoring houdt in dat de toestand van het grondwater in een bepaald gebied, of eigenlijk in een bepaald deel van de ondergrond, over langere tijd gevolgd wordt. Tijdelijke bewakingsmeetnetten rond bijvoorbeeld saneringslocaties of stortplaatsen vallen buiten het BRO-domein. De uitgestrektheid van het gebied en de diepte van monitoring verschillen per grondwatermonitoringnet. Ook de duur van monitoring wisselt sterk.

In het Besluit basisregistratie ondergrond is omschreven welke vormen van monitoring onder deze basisregistratie vallen. Het belangrijkste criterium is het type organisatie dat verantwoordelijk is voor het beheer van het grondwater: de grondwatermonitoring moet door of in opdracht van een bestuursorgaan, de bronhouder, worden uitgevoerd. Verder is er een beperking aan de tijdschaal gesteld. Wanneer een monitoringnet is ingesteld om de toestand van het grondwater over een periode van ten minste één jaar te volgen, dan valt het altijd onder de basisregistratie ondergrond. Voor monitoringnetten met een kortere duur maakt het bestuursorgaan zelf de afweging of de gegevens in de basisregistratie moeten worden opgenomen. De periode van een jaar is lang genoeg voor het uitfilteren van de effecten van kleinschalige en kortdurende invloeden, zodat de informatie die in de basisregistratie wordt vastgelegd blijvende gebruikswaarde heeft. Aan de ruimtelijke schaal van monitoring zijn voor de basisregistratie ondergrond geen grenzen gesteld.

In de Regels omtrent de basisregistratie ondergrond en het Besluit basisregistratie ondergrond staat dat de BRO “voorlopig” respectievelijk “vooralsnog” geen milieukwaliteit informatie bevat. Voor het grondwatermonitoringdomein zijn Grondwatersamenstellingsonderzoeksgegevens uit monitoringsnetten rondom milieu-hygiënische projecten, waarin het met name gaat om het monitoren van de verontreiniging van de bodem en het grondwater, daarmee voorlopig buiten scope geplaatst. Op 18 december 2018 is in de Tweede kamer een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht ‘om informatie over bodemverontreiniging in de basisregistratie ondergrond op te nemen’ (Kamerstuk Motie 34864-19). Momenteel is nog niet bekend wat de gevolgen van deze motie zullen zijn voor de scope van Grondwaterwatersamenstellingsonderzoek.

De monitoring van de kwaliteit van de ondiepe bodem met het daarin aanwezige grondwater zoals dat gedaan wordt om de gevolgen van met name landbouwactiviteiten te kunnen volgen, valt binnen de scope van de BRO, maar buiten de scope van het registratieobject grondwatersamenstellingsonderzoek. Die vorm van monitoring valt binnen het BRO domein bodemkwaliteit (in landelijk gebied).

Daarnaast wordt de afbakening van grondwatersamenstellingsonderzoeken bepaald door het doel van het grondwatermonitoringnet waarbinnen de onderzoeken ontstaan. Deze is te relateren aan het wettelijk kader en daarmee samenhangende beleidsdoelen.

Ieder grondwatermonitoringnet omvat een aantal meetpunten. Deze meetpunten zijn gekoppeld aan (filters in) putten, de grondwatermonitoringputten. Wat er in de punten gemeten wordt, hangt af van het monitoringdoel. Wanneer het om kwantiteit gaat, worden grondwaterstanden gemeten, bij kwaliteit gaat het om de samenstelling van het grondwater.

De bestuursorganen die langdurig het grondwater (laten) monitoren op grondwaterkwaliteit, omdat zij daarin een wettelijke taak hebben zijn RIVM, Rijkswaterstaat, Provincies, Waterschappen, Gemeentes en bestuurlijke samenwerkingsverbanden. Daarnaast zijn er private organisaties die vanuit vergunningsplicht het grondwater langdurig monitoren op grondwaterkwaliteit, in opdracht van bevoegd gezag en/of voor eigen doelen. Dit zijn drinkwaterbedrijven, grondwater-onttrekkende industrie, (ondiepe) bodemenergie exploitanten (bedrijven, ziekenhuizen, overige instellingen) en natuurterreinbeheerorganisaties. Deze organisaties doen periodiek grondwatersamenstellingsonderzoek en hebben daarvoor grondwatermonitoringnetten en meetplannen.

Domein grondwatermonitoring in de BRO

Het domein grondwatermonitoring in de basisregistratie ondergrond (BRO) omvat de volgende vier registratieobjecten:

Binnen de basisregistratie ondergrond worden in het conceptuele model en de catalogus de Nederlandse termen gebruikt. De technische Landelijke Voorziening van de basisregistratie ondergrond hanteert een Engelstalige benaming. Alle registratieobjecten hebben dus ook een Engelstalige benaming waarop de afkorting van het registratieobject is gebaseerd. Voor de basisregistratie ondergrond geldt dat het conceptuele model Nederlandstalige benaming hanteert, vanaf het logische model is alles Engelstalig.

grondwaterdomein
De samenhang tussen de vier registratieobjecten binnen het grondwatermonitoring domein.

Een grondwatermonitoringput betreft de putconstructie die gebruikt wordt om grondwaterstanden (kwantiteit) en/of de samenstelling (kwaliteit) van het grondwater te meten. Gewoonlijk bestaat een put uit een samenstel van buizen dat aan het oppervlak wordt beschermd tegen invloeden van buitenaf. Via de buizen wordt het grondwater dat zich op een bepaalde diepte bevindt ontsloten. Het deel van de buis waardoor het grondwater binnen kan komen is het filter. Elke buis heeft één filter. Een filter fungeert als meetpunt in de basisregistratie ondergrond.

Informatie over grondwatermonitoringput is beschreven in de Catalogus Grondwatermonitoringput. Naast putten kunnen ook bronnen gebruikt worden in grondwaterkwaliteitsmonitoring. Een bron is een locatie waar het grondwater spontaan uittreedt aan het maaiveld. In de huidige, reeds vastgestelde standaard van het registratieobject grondwatermonitoringput zijn de bronnen niet opgenomen. Voorzien is om dit registratieobject aan te passen, zodat ook bronnen hierbinnen geregistreerd kunnen worden.

Alleen de grondwatermonitoringput heeft een fysieke locatie. De drie andere registratieobjecten zijn aan het registratieobject grondwatermonitoringsput gekoppeld en hebben daarmee indirect een locatie. Bij een grondwaterstandonderzoek en een grondwatersamenstellingsonderzoek ligt de verwijzing vast naar het filter in de grondwatermonitoringput waarin het onderzoek is uitgevoerd.

Bij een grondwatermonitoringsonderzoek (grondwatersamenstellingsonderzoek en grondwaterstandonderzoek) ligt daarnaast de verwijzing vast naar één of meerdere grondwatermonitoringnetten ten behoeve waarvan het onderzoek is uitgevoerd.

Een grondwatermonitoringnet is een verzameling locaties waar periodiek onderzoek aan het grondwater op een bepaalde diepte wordt gedaan om de toestand van het grondwater vanuit een perspectief te kunnen bepalen en de eventuele veranderingen erin te kunnen volgen. Het grondwatermonitoringnet faciliteert daardoor de groepering van onderzoeksgegevens door bronhouder op basis van het doel van monitoring. Het vergroot de hergebruikwaarde voor afnemers van de Landelijke Voorziening basisregistratie ondergrond.

Bij een grondwatermonitoringnet wordt een lijst met punten geregistreerd waarin gemeten wordt. Deze lijst bevat verwijzingen naar filters in grondwatermonitoringputten. Een grondwatermonitoringnet valt onder de verantwoordelijkheid van één bronhouder, heeft een vastgesteld monitoringsdoel en kent een bepaald programma.

In de praktijk komt het voor dat een grondwatersamenstellingsonderzoek ten behoeve meer dan één doel wordt uitgevoerd. Een bronhouder kan bijvoorbeeld omwille van de efficientie besluiten om één grondwatersamenstellingsonderzoek te laten doen, en de resultaten ervan zowel voor de Kaderrichtlijn Waterverplichtingen als voor aanvullende provinciale monitoringsdoelen te gebruiken. Omdat één grondwatermonitoringnet maar één doel kan hebben, betekent dit voor de basisregistratie ondergrond dat één grondwatersamenstellingsonderzoek kan ‘toebehoren’ aan één of meerdere grondwatermonitoringnetten.

Hierbij ontstaat ook de mogelijkheid dat de resultaten van een grondwatersamenstellingsonderzoek van bronhouder X ook wordt gebruikt door bronhouder Y voor de eigen monitoringdoelen. In dat geval wordt het onderzoek (ook) gekoppeld aan een grondwatermonitoringnet van bronhouder Y. Deze relatie moet tijdens de registratie van ieder grondwatersamenstellingsonderzoek worden vastgelegd in de basisregistratie ondergrond door de bronhouder (X) van het betreffende onderzoek. Bronhouder X wordt daarmee verantwoordelijk voor informatie die van bronhouder Y is (namelijk de koppeling van zijn onderzoek aan een grondwatermonitoringnet van Y). De bronhouder van het grondwatermonitoringnet (Y) wordt niet verantwoordelijk voor het grondwatersamenstellingsonderzoek zelf, daarvoor blijft bronhouder X verantwoordelijk.

Het grondwatersamenstellingsonderzoek

Een grondwatersamenstellingsonderzoek is een monitorings-activiteit gericht op het onderzoeken van de samenstelling / kwaliteit van een grondwatermonster uit een bepaald meetpunt in de ondergrond (c.q. een filter in een grondwatermonitoringput), op basis van een opdracht door een bronhouder en voortkomend uit een of meerdere monitoringsdoelen. Een deel van het onderzoek wordt in het veld verricht en het overige deel in één of meerdere laboratoria. Het resultaat van dit onderzoek wordt geregistreerd in de basisregistratie ondergrond.

De samenstelling van het grondwater is niet heel veranderlijk, zoals bijvoorbeeld bij de grondwaterstand, die dagelijks kan varieren, wel het geval is. Grondwatersamenstellingsonderzoeken worden op een locatie daarom doorgaans maar één keer of hooguit een paar keer per jaar uitgevoerd. In het landelijke monitoringnet en de provinciale monitoringnetten wordt er bijvoorbeeld jaarlijks één grondwatersamenstellingsonderzoek uitgevoerd. Als er lokaal reden is om de grondwaterkwaliteit beter in de gaten te houden, omdat daar bijvoorbeeld drinkwater onttrokken wordt of er activiteiten plaatsvinden die invloed kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit, kan er besloten worden om de periodiciteit te verhogen.

Een grondwatersamenstellingsonderzoek gaat als volgt in zijn werk:

  1. Bij een grondwatermonitoringput of een natuurlijke bron wordt water afgenomen door het (vanuit een specifieke diepte c.q. een specifiek filter van de grondwatermonitoringput) op te pompen.
  2. Op dit veldmonster worden ter plekke veldanalyses gedaan. Hierbij wordt een klein aantal parameters, ofwel eigenschappen van het grondwatermonster, meteen gemeten. Dit zijn gegevens die van belang zijn bij / ondersteunend zijn voor de verdere analyse. Het resultaat van de veldanalyses wordt opgeslagen.
  3. Vervolgens wordt een laboratoriummonster genomen voor het doen van verdere analyses in het laboratorium. In de praktijk worden er vaak meer, verschillende soorten flessen met grondwater gevuld omdat verschillende analyses, die in het laboratorium zullen worden uitgevoerd, vragen om verschillende behandeling van het laboratoriummonster.
  4. Deze deelmonsters worden naar een of meer laboratoria getransporteerd alwaar de laboratoriumanalyse gedaan wordt. Het resultaat van het onderzoek in het laboratorium wordt opgeslagen.
  5. De veld- en laboratoriumanalyseresultaten worden, na ontvangst door de bronhouder, door de bronhouder en/of een adviesbureau gecontroleerd en beoordeeld.

Informatie uit deze periodieke grondwatersamenstellingsonderzoeken wordt in de basisregistratie ondergrond opgeslagen als het registratieobject Grondwatersamenstellingsonderzoek. Dit registratieobject omvat de definitieve meetwaarden van een op grondwaterkwaliteit gericht onderzoek dat aan een grondwatermonster uit een bepaald meetpunt is verricht. Daarbij is een uitgangspunt dat een grondwatersamenstellingsonderzoek één bronhouder heeft, maar wel uitgevoerd kan zijn ten behoeve van meerdere grondwatermonitoringnetten die van verschillende bronhouders kunnen zijn. Daarnaast is een uitgangspunt dat alle gegevens van het grondwatersamenstellingsonderzoek tegelijk worden aangeleverd aan de Landelijke Voorziening basisregistratie ondergrond. De resultaten van het veldonderzoek-deel en het laboratoriumonderzoek-deel binnen één grondwatersamenstellingsonderzoek worden dus samen aangeleverd.

Een grondwatersamenstellingsonderzoek kan ten behoeve van meer dan één monitoringdoel uitgevoerd worden. Dit betekent dat een onderzoek in het kader van meerdere grondwatermonitoringnetten tegelijk uitgevoerd kan zijn. In het registratieobject Grondwatermonitoringnet worden het doel van de monitoring (monitoringdoel) vastgelegd en het wettelijk kader waar dit doel uit volgt (kader aanlevering). In het registratieobject grondwatersamenstellingsonderzoek wordt het monitoringdoel en het wettelijk kader waar dit doel uit volgt niet vastgelegd. Met de verwijzing naar één of meer grondwatermonitoringnetten is het doel en het wettelijk kader van het grondwatersamenstellingsonderzoek indirect vastgelgd.

De veld- en laboratoriumanalyseresultaten van een grondwatersamenstellingsonderzoek worden door de bronhouder en/of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder gecontroleerd en beoordeeld volgens een beoordelingsprocedure. Dit is een protocol of werkvoorschrift dat is toegepast bij het beoordelen van de kwaliteit van de meetwaarden die in het veld en/of in het laboratorium gemeten zijn. Deze procedure beschrijft hoe de beoordeling wordt gedaan en op welke manier de beoordeling leidt tot het eindoordeel over de betrouwbaarheid van een individuele meting.

Elk grondwatersamenstellingsonderzoek wordt uitgevoerd volgens afspraak tussen opdrachtgever (de bronhouder die in de basisregistratie ondergrond voor elk registratieobject wordt vastgelegd) en opdrachtnemer(s). Bij elk grondwatersamenstellingsonderzoek wordt een aantal pakketten van stoffen of losse stoffen gemeten. Het resultaat van deze metingen wordt onderdeel van de basisregistratie ondergrond, ongeacht om welke stoffen het gaat of tot welke groep deze behoren. Twee stofgroepen krijgen speciale aandacht: bestrijdingsmiddelen en farmaceutische stoffen. Als deze zijn onderzocht wordt er hiervan een indicatie opgenomen; de indicatie bestrijdingsmiddelen onderzocht en de indicatie farmaceutische stoffen onderzocht. Deze indicaties zijn opgenomen omdat ze een karakterisering van de inhoud van het onderzoek geven en een hoge hergebruikswaarde hebben bij uitgifte: ze helpen gebruikers bij het vinden van onderzoeken waarin naar deze groepen stoffen gekeken is. Van alle overige onderzochte stofgroepen wordt de indicatie of er op onderzocht is niet opgenomen, omdat de overige stofgroepen veelal niet eenduidig zijn en niet uniform toegepast worden; maar de onderzoeken naar deze overige stofgroepen worden wél in de basisregistratie ondergrond opgenomen.

Veldonderzoek en monstername

Tijdens het veldonderzoek wordt in het veld een aantal metingen uitgevoerd die de toestand van het grondwater en de samenstelling ervan globaal karakteriseren. Tevens worden monsters genomen voor analyse in het laboratorium. Veldonderzoek is het proces dat loopt vanaf het oppompen van grondwater tot de aanlevering van de laboratoriummonsters aan het laboratorium. De uitvoerder veldonderzoek is de partij die voor de bronhouder verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het veldonderzoek.

Een gespecialiseerde medewerker neemt tijdens het veldonderzoek monsters van het grondwater. In de meeste gevallen wordt water afgenomen door het op te pompen vanuit een specifieke diepte (c.q. filter uit een grondwatermonitoringput). In de praktijk zijn dit vaak meerdere en verschillende soorten flessen die met grondwater worden gevuld, omdat in het laboratorium verschillende analyses zullen worden uitgevoerd die vragen om specifieke behandeling van het monster. Het water moet bijvoorbeeld al dan niet eerst gefilterd worden, de fles moet van glas dan wel kunststof zijn, het moet een bepaalde hoeveelheid bevatten en er moet wel of geen bepaalde conserveringsstof in zitten.

Het veldonderzoek gebeurt op een bepaalde datum die wordt vastgelegd in de basisregistratie ondergrond, de datum veldonderzoek, en volgens een bepaalde bemonsteringsprocedure waarin de eisen en voorgeschreven werkwijze ten aanzien van bemonstering zijn vastgelegd. Ook deze gehanteerde norm plus eventuele, in het veld geconstateerde bijzonderheden, die relevant zijn voor het beoordelen van de resultaten van het veldonderzoek, bijzonderheid veldonderzoek, worden in de basisregistratie ondergrond vastgelegd. De diepte waarop het grondwater zich, in de bemonsterde buis van de grondwatermonitoringput bevindt, de grondwaterstand, wordt eveneens vastgelegd. De diepte waarop de grondwatermonsters worden genomen, geeft informatie over de aard van het onderzoek en is van invloed op de waarde van onderzochte parameters.

Gegevens over het Bemonsteringsapparaat zijn relevant voor de beoordeling van de kwaliteit van het monster. Het pomptype en het slangtype die tijdens de bemonstering worden gebruikt, worden daarom in de basisregistratie ondergrond vastgelegd. Eveneens wordt vastgelegd of de gebruikte slang nieuw is dan wel al eerder is gebruikt (slang hergebruikt).

In het proces van monstername ontstaan meer gegevens dan de set die opgenomen wordt in de basisregistratie ondergrond. De overige gegevens, zoals details over het oppompen van het grondwater, de barcode van de fles en de naam van de monsternemer, zijn weggelaten omdat die voor interne processen wel relevant zijn, maar geen hoge hergebruikswaarde hebben.

Tijdens het veldonderzoek wordt een aantal parameters bepaald. Een parameter is een eigenschap van het grondwater. Er zijn twee soorten parameters:

Een aantal van de bepalingen die in het veld worden gedaan, wordt in de basisregistratie ondergrond vastgelegd omdat deze hergebruikswaarde hebben: ze geven een algemene indruk over het bemonsterde grondwater, de meetwaarden worden gebruikt in bepaalde controles, of de bepaling in het veld levert een betrouwbaarder resultaat op dan een bepaling in het laboratorium. Voor het meten van parameters in het veld zijn meerdere redenen:

Het resultaat van de bepalingen in het veld wordt vastgelegd bij Resultaat veldmetingen. Elke parameter wordt geïdentificeerd door de aquocode van de parameter. De Aquocode maakt onderdeel uit van de Aquo-standaard. Dit is een open standaard en uniforme taal voor de uitwisseling van gegevens binnen de watersector. De Aquocodes zijn binnen de basisregistratie ondergrond beschikbaar in de Parameterlijst (zie voor de inhoud van deze lijst). In de Parameterlijst is voor elke parameter naast de Aquocode ook opgenomen: het CASnummer (indien van toepassing), een omschrijving, de eenheid en de hoedanigheid waarin de parameter wordt vastgelegd. Bij hoedanigheid wordt bijvoorbeeld aangegeven dat het gaat om de opgeloste fractie, na filtratie. Het CASnummer is een internationaal gebruikte, unieke, numerieke code voor chemische elementen, componenten en polymeren. Er zijn alleen CASnummers voor chemische verbindingen, niet voor parameters die de toestand van het grondwater beschrijven zoals zuurgraad, troebelheid, elektrisch geleidingsvermogen of temperatuur. Ook zijn er geen CASnummers voor som-parameters zoals stikstof totaal of de som van trichloorfenol-isomeren. Omdat hier wel Aquocodes voor beschikbaar zijn, wordt de Aquocode gebruik om de parameters te identificeren.

De waargenomen of gemeten waarde van een veldwaarneming wordt geregistreerd in de basisregistratie ondergrond. De waarde wordt uitgedrukt in een meeteenheid. De meeteenheid is afhankelijk van de parameter. De aan te leveren meeteenheid is vastgelegd in de Parameterlijst.

De waarde van een waarneming heeft het formaat Meetwaarde. Gewoonlijk wordt bij Meetwaarde de opbouw van het getal voorgeschreven: het aantal cijfers voor en achter het decimaal scheidingsteken ligt vast. Bij de waarde van de veldparameters kan er geen vaste opbouw worden gegeven omdat het waarden van verschillende parameters kan betreffen die elk een andere opbouw hebben. Dit betekent dat bij aanlevering aan de Landelijke Voorziening, geen controle plaats vindt op de opbouw van de meetwaarde. De bronhouder heeft de verantwoordelijkheid het getal in de juiste precisie aan te leveren.

Bepalingen in het veld worden aan de hand van opgepompt grondwater gedaan of op basis van een in situ bepaling. Bij een in situ bepaling wordt de bepaling direct in het grondwater, onderin de monitoringbuis van de monitoringput gedaan. Omdat een bepaling in opgepompt grondwater een andere waarde kan geven dan een in situ bepaling, wordt in de basisregistratie ondergrond de indicatie opgenomen of de parameter wel of niet in situ is bepaald.

Bij elke individuele meting van een parameter in het grondwatersamenstellingsonderzoek geeft de bronhouder (of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder) een eindoordeel over de betrouwbaarheid van de meting. Dit eindoordeel wordt gevormd aan de hand van een, voor het hele grondwatersamenstellingsonderzoek gebruikte beoordelingsprocedure. Het eindoordeel wordt vastgelegd in de status kwaliteitscontrole. Het is een oordeel over de kwaliteit van de meting zelf, geen oordeel over de representativiteit van de uitkomst voor het omliggende grondwater.

Door de voortschrijdende techniek (bijvoorbeeld nieuwe en verbeterde sensoren) zijn er steeds meer mogelijkheden voor het doen van waarnemingen over de grondwaterkwaliteit in het veld. Vanwege het, in de huidige praktijk, nog beperkte gebruik van dergelijke sensoren, is hier in deze versie van het informatiemodel geen rekening mee gehouden.

Laboratoriumonderzoek

Een laboratoriumonderzoek van een grondwatersamenstellingsonderzoek wordt door een of meerdere laboratoria verricht. Alle laboratoria die onderzoeken uitvoeren die binnen de scope van de basisregistratie ondergrond vallen, zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. Vereist voor de accreditatie is onder andere het volgen van (inter)nationale standaarden (NEN- en/of ISO-normen). Laboratoria werken volgens strikte interne kwaliteitssystemen vastgelegd in handboeken, conform de richtlijnen van de Raad voor Accreditatie. Geaccrediteerde laboratoria zijn daarnaast verplicht om deel te nemen aan ringonderzoeken: onderzoeken waarbij de testresultaten van verschillende laboratoria worden vergeleken. De accreditatie legt op parameter(groep)niveau vast welke bepalingstechnieken en bijbehorende procedures gehanteerd worden door het geaccrediteerde lab. Op de website van de Raad van Accreditatie (www.rva.nl) is per laboratorium informatie te vinden over hun huidige accreditatie.

Het laboratoriumonderzoek omvat de resultaten van het onderzoek van één of meer deelmonsters, waarbij doorgaans veel verschillende eigenschappen (parameters) worden bepaald. Elk laboratoriumonderzoek wordt onder de verantwoordelijkheid van één laboratorium, de uitvoerder laboratoriumonderzoek, uitgevoerd.

Het laboratoriumonderzoek is het proces dat start bij de overdracht van het laboratoriummonster door de uitvoerder van het veldonderzoek aan het laboratorium. Het proces eindigt bij de rapportage van de onderzoeksresultaten aan de bronhouder.

In het laboratorium worden een of meer analyseprocessen uitgevoerd. Een analyseproces bevat de kenmerken van de in het laboratorium uitgevoerde activiteiten ten behoeve van de bepaling van de waarde van parameters in het grondwatermonster. Van het analyseproces worden de analysedatum, de bepalingstechniek, de bepalingsprocedure en bijzonderheid bepalingsprocedure vastgelegd in de Basisregistratie Ondergrond.

De datum waarop een bepalingstechniek wordt uitgevoerd, wordt vastgelegd met de analysedatum. Wanneer de techniek zich uitstrekt over meer dagen, wordt de datum vastgelegd waarop de techniek klaar is met de bepaling van het gehalte van de parameter.

Een parameter kan vaak met verschillende bepalingstechnieken gemeten worden. De bepalingstechniek is bepalend voor de hoogte en de nauwkeurigheid van de gemeten waarde. Met één bepalingstechniek worden meestal meerdere parameters gemeten. Elk laboratorium werkt bij één bepalingstechniek volgens één norm of voorschrift, de bepalingsprocedure. Verschillende laboratoria kunnen voor dezelfde techniek een verschillende norm of voorschrift hanteren. Er kunnen in het laboratorium bijzonderheden worden geconstateerd die van invloed zijn op het resultaat van de meting of relevant zijn voor het beoordelen van de metingen of voor hergebruik. Het betreft veelal afwijkingen van de gebruikte bepalingsprocedure. Dit wordt vastgelegd bij bijzonderheid bepalingsprocedure

Het analyseproces leidt tot meetresultaten van een of meer parameters. Deze worden vastgelegd in Resultaat parameters. Middels de aquocode wordt de parameter geïdentificeerd. Hierbij wordt dezelfde Parameterlijst gebruikt als bij Resultaat veldmetingen wordt gebruikt. Het gemeten gehalte van de parameter wordt vastgelegd in het attribuut waarde. De rapportagegrens, de grensconcentratie (ook wel: minimumconcentratie) waarboven het gemeten gehalte van de component in een monster wordt gerapporteerd aan de opdrachtgever, wordt altijd opgenomen. Het is voor hergebruik een belangrijk gegeven. Deze grens is mede afhankelijk van de bepalingstechniek en de eventuele bewerking van het grondwatermonster. Indien het gemeten gehalte lager is dan de rapportagegrens mag dit gegeven ontbreken. De bronhouder mag bij een waarde die lager is dan de rapportagegrens besluiten of hij de waarde aanlevert of niet. Andere soorten grenzen, zoals de aantoonbaarheidsgrens (ook wel detectielimiet: de grens waarboven kan worden vastgesteld of de component wel of niet aanwezig is) of de bepaalbaarheidsgrens, die iets zegt over wanneer het gehalte van een component betrouwbaar kan worden vastgesteld, worden niet opgenomen.

De waarde en de rapportagegrens hebben het formaat Meetwaarde. Gewoonlijk wordt bij Meetwaarde de opbouw van het getal voorgeschreven: het aantal cijfers voor en achter het decimaal scheidingsteken ligt vast. Bij de waarde en de rapportagegrens van de in het laboratorium gemeten parameters kan er geen vaste opbouw worden gegeven omdat het waarden van verschillende parameters kan betreffen die elk een andere opbouw hebben. Dit betekent dat bij aanlevering aan de Landelijke Voorziening, geen controle plaats vindt op de opbouw van de waarde en de rapportagegrens. De bronhouder heeft de verantwoordelijkheid het getal in de juiste precisie aan te leveren. In de door laboratoria gebruikte bepalingsprocedure is vaak vastgelegd hoe afgerond moet worden.

Wanneer de methode een indicatie geeft voor aanwezigheid van een parameter maar een nauwkeurige kwantificering niet mogelijk is, wordt dit aangegeven met de aanduiding gehalte indicatief.

De aanduiding voldaan aan identificatiecriteria geeft aan of voor de component aan de identificatiecriteria conform de norm is voldaan. Als dit niet het geval is, is er wel een indicatie voor de aanwezigheid van de component.

Net als bij Resultaat veldmetingen, wordt bij Resultaat parameters bij elke individuele meting door de bronhouder (of een adviesbureau in opdracht van een bronhouder) een eindoordeel over de betrouwbaarheid van de meting aangegeven. Dit eindoordeel wordt gevormd aan de hand van een, voor het hele grondwatersamenstellingsonderzoek gebruikte beoordelingsprocedure. Het eindoordeel wordt vastgelegd in de status kwaliteitscontrole.

INSPIRE

TODO nog uitwerken

Introductie van de catalogus

Type domeinen

Een domein beschrijft welke waarden een attribuut mag hebben. Domeinen zijn van een bepaald type en de typen die in de registratie ondergrond worden gebruikt worden hieronder toegelicht.